En soms wil dan

opeens

een venkelknol
uit het schap in de supermarkt
geroken worden.

Dan komt de lente.

Advertisements

Waarom haal je er publiek bij?

Het was laat op een woensdagavond. We hadden net de laatste zangworkshop uit een serie gegeven. Die sloten we af met een presentatie voor een klein publiek van vrienden en bekenden.

De deelnemers hadden prachtig gezongen, het publiek was ontroerd en enthousiast, ze hadden zelfs meegezongen.

Nu zaten we met z’n allen met een biertje nog wat na te praten.

Toen stelde een deelneemster die vraag: Waarom wil je er publiek bij hebben?

Nou, reageerde ik, vond je het leuk met publiek?

Ja, eigenlijk wel. Eerst best spannend, maar ik durfde wel echt te zingen, omdat jij me begeleidde en omdat ik eerder met onze kleine groep zo vrij had gezongen. Daarna werd het heel bijzonder en vrij zingen.

Dat is de eerste reden dat we er graag af en toe publiek bij willen hebben. Het is tegelijk spannend, en met vertrouwen heel bevrijdend.

Er zijn natuurlijk veel meer redenen. Binnenkort hier deel 2.

Jo-Anne Vissers (zang) en ik (gitaar) geven op woensdagavonden zangworkshops in het Vorstelijk Complex in Utrecht.

Wil je ook eens horen hoe dat klinkt, of durf je zelfs mee te doen?

–update–
We zijn verhuisd naar facebook.

Als de korstige kleilaag die een oergeboren mens omgeeft

De dromer van Borges die zich een zoon droomt.
En om de zoon te dromen moet hij een wereld dromen.
Liggend in de rivierbedding, wegzakkend in de lichtgrijze fijne klei.

Drie, vier slagen in de zwarte pluider, dan weer even rust.
En dan weer.
Rust is niet in de herhaling te vinden.
De pauzes zijn blauw.

Delegated willpower: the flip side of gamification

Google Now shows that, at least for practical matters, it is entirely possible and useful to delegate a certain type of decisions to a machine.

Could we extend that? Instead of our phone saying: "Hey, if you want to catch that train, you should leave in five minutes.", could it say: "Hey, if you want to lose weight you should eat a carrot now, just before your glucose level drops enough to make that candy bar literally irresistable.". Or: you've planned some creative work next week, and I noticed you do your best work two days after making love. So buy some candles.

This is a barely minimum viable blogpost. If you'd like me to elaborate, please let me know in the comments 😉

Ome Keimpe

Kandij. Met een dof dungesleten zilveren lepeltje opgeschept uit een kristallen pot.

Een beverige hand met levervlekken, de andere nestelt zich voorzichtig in de hoge polen van het donkerrode tafeltapijt. Ik kan met mijn nagels door de wortels van het wollen woud over de tijk krassen.
De klok stopt nooit met tikken, de trage hartslag van het wachten dat hier woont.

Ze wacht. Of het op leven is of op de dood. Ze wacht.

Keimpe is allang geroepen. Mijn ome Keimpe die zijn harde hand op het tafelkleed liet ploffen om mij te laten zien hoe je met één hand het manchetknoopje van een overhemd kan vastmaken. Ome Keimpe met de pet. Mijn tweede naam is de zijne. Mijn eerste die van zijn zwager, mijn pake, de broer van zijn vrouw, mijn tante Wyp.

Hij is allang vertrokken. Vinden wij. Maar als zij in bed stapt vertelt ze hem nog even over haar dag. En hij luistert. Natuurlijk luistert hij. Hij is al zo lang weg, en ze praat maar zachtjes. Ze schudt haar hoofd met een verlegen glimlach. Maar hij heeft hele goede oren. En hij luistert. En hoort haar. Maar hij zegt niks. Nog niet.

Als zij niet praat, alleen aan de tafel met tapijt, luistert ze, met de klok, of ze hem al hoort.

Er staat een boom in de tuin. Veel te groot. Hij beneemt haar het zicht. Die boom moet daar weg. Iedere week gooit ze een fles glorix in de aarde. Maar hij blijft maar groeien, met zijn schaduw.

Ze wacht al zo lang dat ze zich erbij heeft neergelegd. En als hij dan toch roept is het toch nog schrikken.

Daar lag ze in een veel te groot ziekenhuisbed, brozer dan ze thuis was. Nu was het geen wachten meer. Het was begonnen. Ze trok zich terug uit de wereld om te verhuizen naar zijn stem.

Nee, nee, hij moet hier weg, zei ze tegen mijn moeder, toen ik aan kwam lopen. ‘t Geeft niks, zei mijn moeder tegen mij. Ze denkt dat het besmettelijk is.

Haar huisje in de Juffr. Frederikastrjitte staat er al niet meer. Het hele blok is tegen de vlakte gegooid. Mensen wonen niet meer in zulke kleine huisjes.

Alleen de boom. Die staat er nog.

Je had me kunnen zandstralen

in meeuwengegil wilde ik je eenzaamheid verzachten
door erbij te gaan staan kijken.

In plaats daarvan,
je wilde niet langer op me wachten,
had je het volk van zonnebrand- en bakolie binnengelaten
in het zandbed
dat je voor mij had willen openslaan.

Het spijt me,

ik was in het land verzeild geraakt,
ik wilde niet weten dat ik hier
bij jou
had moeten zijn.

Maar nu ben ik er dan.
Ik weet ook wel dat je je dan maar
met hun bent gaan vermaken, om niet
alleen je eigen grom te horen,
en dat sleetse geschreeuw
van die kutmeeuwen.

Maar nu ben ik er dan.
Jaag je,vaag je ze weg?
Dan kan ik alleen aan jouw branding staan
Ik zal naar je luisteren.
En misschien kun jij mijn voetsporen lezen
in de handpalm van je steile strand

Eén springtij, één inademing van jou
en ze spoelen weg in stilte.
Dan zal ik aan je staan
als op de eerste dag

Weet je nog dat wij elkaar zagen?

Grommend blaatte de wolf

Waar had hij z’n schaapskleren nu gelaten?

Woedend trok hij een stapel stinkende klamme handdoeken uit de wasmand. Daar, op de bodem, lagen ze. In een walm van zweet en schimmel.

Een wolf in gore ongewassen schaapskleren. Voor het makste lammetje zou hij vandaag wel niet kunnen doorgaan.

Wolf in schaapskleren. Met bokkepruik.

Drie tonen en een liedje

Drie tonen draag ik altijd met me mee. En een liedje.

De hoogste toon snerpt zachtjes aan de uiterste bovenkant van mijn gehoorbereik. Hij klinkt ongeveer als een rookmelder twee straten verderop. Of de piep van de oude beeldbuis van de overburen, die op het punt staat om door te branden.
Het is mijn centrale zenuwstelsel dat deze toon maakt. Als het buiten mij heel stil is kan ik hem heel goed horen. Als het in mij heel druk is ook.

De laagste is de ‘low rumble’ van het bloed dat door mijn vaten stroomt. Als een kalme straalmotor. Altijd.
De middelste is een gehoorbeschadiging. Hoog in het middenregister, als het fluiten van verwarmingsbuizen. Het is een herinnering aan een creatieve bui.

Een paar jaar geleden wilde ik een soort platte schaal maken van een vierkante meter blik. Ik legde hem op een zachte ondergrond en sloeg er met een hamer op. Een paar kleine deukjes en veel lawaai. Harder slaan. De deukjes werden maar een ietsje groter. Het lawaai veel harder. De Geest nam bezit van mij en begon er genadeloos op los te hengsten. Slecht idee. Geen resultaat. Later hoorde ik pas de piep in m’n oren. Die hoor ik nu nog steeds.

En het liedje? Er is altijd een liedje. Steeds een ander, dat wel. Heel vaak is het een van de liedjes uit de workshop die ik begeleid. Die maken nogal veel indruk, niet alleen bij de deelnemers. Jazz-standards, theaterlied, en af en toe een prachtig zelfgeschreven lied.

Of anders het thema uit Piazzolla’s Fuga y mysterio, een oude favoriet. Als je iemand dat op straat hoort fluiten ben ik het. Tik maar op m’n schouder, dan drinken we een kop koffie.

En Bach natuurlijk, altijd Bach. En Dowland, en nog zoveel andere. Die bewaar ik voor een volgende keer.

Dan was er nog die keer dat ik met Alone again, naturally over de telefoon te gast was in een Amerikaanse radiouitzending van het fenomenale RadioLab. Die vertel ik binnenkort ook nog wel eens.

Drie tonen draag ik altijd met me mee. En duizend liedjes.